/ˈɦoːpə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘wensen, verwachten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitivewensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
“Hij hoopte dat hij zijn proefwerk had gehaald.”
“Wat een feest om op deze manier met mijn kinderen op pad te zijn. Het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat we doen of waar we naartoe gaan. De natuur in, de stad in, overdag of ’s nachts. Het zijn vaak”
“De enige vlakke grond was de trail zelf dus ik hoopte dat er geen vroege hiker over me heen zou vallen in de ochtend. Maar dat gebeurde wel.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord hoop
Vormenhoopte(past) · gehoopt(past, participle) · te hopen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen hopen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen hopen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gehoopt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gehoopt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gehoopt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gehoopt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · hopend(imperfect, participle) · ev.
hoop(imperative) · hope(subjunctive) · hoop(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · hoopt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · hoopt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · hoopte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · hoopte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · hoopte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · hoopten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · hoopten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)