HerkomstIn de betekenis van ‘stuk weefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1220
- een stuk weefsel
- gebruikt als vloer-, tafel- of wandbedekking, karpet, tapijt
“' Caspar Witsen loopt met grote passen naar het midden van het kleed.”
“Ze nadert het kleed en kijkt naar de papieren op de vloer.”
“Er lag een prachtig geborduurd kleed op tafel.”
- gebruikt als lichaamsbedekking, meestal meervoud, gewaad, kleding
“Zijn kleren werden gewassen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
- form-ofgebiedende wijs van kleden
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
Vormen[1.1] kleden(plural) · [1.2] klederen(plural) · [1.2] kleren(plural) · kleedje(diminutive, singular) · [1.1] kleedjes(diminutive, plural) · [1.2] kleertjes(diminutive, plural)