ˈkamər
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vertrek’ voor het eerst aangetroffen in 1201
- een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functie
“Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft”
“De sfeer was altijd opgewekt, maar al snel ging iedereen over tot de orde van de dag en vertrok naar zijn of haar kamer om huiswerk te maken en ‘écht’ belangrijke mensen te bellen over de laatste dram”
- onderdeel van een rechtsprekend orgaan dat over bepaalde zaken uitspraken doet
“De meervoudige kamer bestaat uit drie rechters die gezamenlijk meer ingewikkelde zaken behandelen.”
- benaming voor een deel van het parlement
- Tweede Kamer der Staten-Generaal
“De grondwettelijke informatieplicht voor het kabinet zou ruimer kunnen – de Kamer wenst het, de tamelijk unieke publicatie van de ministerraadnotulen laat zien dat het kabinet er niet benauwd voor is.”
“Terlouw besloot niet terug te keren in de Kamer en haalde zijn gram met de publicatie van een bitter dagboek. Na een periode in het buitenland werd hij tussen 1991 en 1996 commissaris van de Koningin ”
- Eerste Kamer der Staten-Generaal
“De Eerste Kamer kan een wetsvoorstel niet meer wijzigen. Formeel kan de Kamer het wetsvoorstel alleen aannemen of verwerpen.”
- Kamer van volksvertegenwoordigers
“De Senaat en de Kamer maken wetten.”
- benaming voor een overkoepelend orgaan voor bedrijvigheid in een bepaald gebied
“Artikel 23 van de wet KvK stelt dat de regionale raden de Kamer adviseren over regionale aangelegenheden, en een regionaal meerjarenprogramma opstellen.”
Vormenkamers(plural) · kamertje(diminutive, singular) · kamertjes(diminutive, plural) · Kamers(possessive) · (Kamers) *(plural)