/kløːr/
HerkomstOntwikkeld uit ouder coleur (met de klemtoon op de laatste lettergreep), leenwoord uit Frans couleur (uit Latijn color) , in de betekenis van ‘lichtnuance’ voor het eerst aangetroffen in 1567.
- het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
“Hittestress leidt tot afstoting van algen die het koraal van voedingsstoffen voorzien en het koraal kleur geven. Als de verbleking te lang duurt, sterft het koraal af.”
“Het water dat ik in Zuid-Californië tegenkwam was niet altijd even geweldig, het was vaak stilstaand en groenig van kleur.”
- elk van de vier figuren (harten, schoppen, ruiten en klaveren) van een kaartspel
- gelaatskleur, huidskleur
- euphemisticin de uitdrukking persoon, man, vrouw van ~: met een niet-blanke huidskleur (opgevat als etnisch of raciaal kenmerk)
“Voorgesteld wordt dat „elke faculteit een gekwalificeerd persoon van kleur en/of een vrouw" aanstelt. „Personen van kleur en vrouwen moeten worden aangemoedigd te solliciteren door het aanbod van lich”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
- form-ofgebiedende wijs van kleuren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
Vormenkleuren(plural) · kleurtje(diminutive, singular) · kleurtjes(diminutive, plural)