kʏnst
Originerfwoord, via Middelnederlands const van Oudnederlands kunst "kennis", in de betekenis van ‘kunstvaardigheid, creatieve uiting’ aangetroffen vanaf 1100; naamwoord van handeling van kunnen met het achtervoegsel -st
- toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
“De kunst van het Oude Egypte had eerder een magische of religieuze bedoeling dan dat zij een persoonlijke uiting wil zijn.”
“Niet letterlijk uiteraard, maar figuurlijk via een gedeelde bewondering voor nationale sportteams en sporters die in de pers, de fotografie, de kunst en de literatuur mythische proporties aannamen.”
“Wetenschap, kunst en literatuur waren de moeite waard; sport niet.”
- iets wat niet iedereen voor elkaar krijgt
“Het definiëren van het woord kunst is een hele kunst.”
“Harris betoogt dat de moderne mens zich weer moet bekwamen in de kunst van het alleen-zijn.”
“De kunst was om mijn basisgewicht (base weight) zo laag mogelijk te houden, het gewicht van alles dat ik droeg minus voedsel, water en gas.”
- namaak
“Hij droeg een kunstgebit”
- kunstje: een rotstreek
“Renate Gerschtanowitz (toen nog Verbaan) schrijft op Instagram dat ze met een "warm gevoel" terugkijkt op haar tijd bij TMF. "Het is nooit meer zo leuk geweest als in die tijd!" De verhalen over wanto”
Formskunsten(singular) · kunstje(diminutive, second-person) · kunstjes(diminutive, singular)