lest, /lest/, /lest/
HerkomstIn de betekenis van ‘gestalte, vorm van het lichaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1629
- form-oftweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lezen
- form-ofderde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lezen
- form-of, obsoletegebiedende wijs meervoud van lezen
“Leest!”
“'Zie je zo!' Marie-Claire Askifbu Vervallen, verloren, bedoeld te vergaan verwaarloosd, verpauperd, verfoeid en gekastijd Ruïne van glorie, geen hoop enkel spijt Daar groeit een bloem, als nieuw soort”
“' Ze leest mijn laatst geschreven gedicht.”
- een houten of metalen vorm waarop een schoen vervaardigd of gerepareerd wordt
“De leest is het attribuut van de schoenreparateur”
- obsoletede gedaante van een lichaam
“Zij heeft dezelfde schone leest als haar tweelingzus.”