ˈlenə(n)
HerkomstIn de betekenis van ‘te leen geven of krijgen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitiveiets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
“Het boek dat jullie lenen van Jan, wil hij over een week weer terughebben.”
- transitiveiets aan iemand anders te leen geven
“Kun je me dat even lenen?”
- zich ~ tot/voor; mogelijk maken
“Het weer leent zich vandaag voor een wandeling.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord leen
Vormenleende(past) · geleend(past, participle) · te lenen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen lenen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen lenen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geleend(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geleend(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geleend zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geleend te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · lenend(imperfect, participle) · ev.
leen(imperative) · lene(subjunctive) · leen(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · leent(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · leent(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · leende(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · leende(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · leende(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · leenden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · leenden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)