/maːnt/
HerkomstIn de betekenis van ‘twaalfde deel van een jaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050
- elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 31 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
“Ik ben geboren in de maand juli.”
“Juli was een mooie maand in Arazuelo.”
- een tijdsperiode van ongeveer 30 dagen
“De pup blijkt een maand oud te zijn.”
“Je moet binnen een maand schriftelijk reageren op de klacht.”
“Waarom ging ik zes maanden op de Pacific Crest Trail (PCT) dwars door Amerika lopen? Tja, waarom niet.”
Vormenmaanden(plural) · maandje(diminutive, singular) · maandjes(diminutive, plural)