/ˈmaːkən/
Herkomsterfwoord, in de betekenis van ‘iets in een bepaalde toestand brengen’ aangetroffen vanaf jaar 901
- transitivein elkaar zetten
“Hij was een houten meubel aan het maken.”
- transitiveervoor zorgen dat iets weer werkt
“De jongen vroeg aan zijn vader of die zijn trein kon maken.”
- transitiveoptellen tot een bepaald bedrag
“Dat maakt dan zes euro en tien cent.”
- transitivevoortbrengen, tot stand brengen, in een toestand brengen
“Deze band maakte muziek die miljoenen mensen vrolijk maakte.”
“Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.”
“Maar het is vooral de culinaire visie van Boer die door Van de Laar wordt geroemd. "Hij wist heel veel over de natuur en dan kwam hij weer met een plant binnen die ik niet kende, en vertelde hij wat j”
Vormenmaakte(past) · gemaakt(past, participle) · te maken(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen maken(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen maken(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gemaakt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gemaakt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gemaakt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gemaakt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · makend(imperfect, participle) · ev.
maak(imperative) · make(subjunctive) · maak(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · maakt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · maakt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · maakte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · maakte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · maakte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · maakten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · maakten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)