/ˈne.mə(n)/
Herkomsterfwoord, in de betekenis van ‘grijpen, gebruiken’ aangetroffen vanaf 901
- transitiveiets vastpakken met de handen
“Wij nemen de de dozen uit de kast en zetten ze op tafel.”
- veroveren
“Maar hij wantrouwde hem in de allereerste plaats. Omdat Pradelle van aanvallen hield. Stormenderhand nemen, bestormen, veroveren, hij deed niets liever.”
- gebruikmaken van
“De perrons zijn verlaten, in de hal zitten de reizigers op gepaste afstand van elkaar op de wachtbanken, die anders vol zijn. Deze hele week is het al rustiger dan normaal, maar deze vrijdag is het ec”
“Hij zei dat hij de tafel ging dekken, omdat ik de jarige job was, en terwijl hij ondertussen de oven voorverwarmde en op zoek ging naar vorken, nam ik de gelegenheid te baat om boven een kijkje te gaa”
Vormennam(past) · genomen(past, participle) · te nemen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen nemen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen nemen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben genomen(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben genomen(active, infinitive, perfect, present, long-form) · genomen zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · genomen te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · nemend(imperfect, participle) · ev.
neem(imperative) · neme(subjunctive) · neem(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · neemt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · neemt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · nam(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · nam(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · naamt(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · nam(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · namen(indicative, imperfect, past, plural, first-person)