plax
HerkomstLeenwoord uit het Latijn plaga “slag”, “wond”, in de (christelijke) betekenis van ‘(door God gezonden) onheil’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
- door God gezonden onheil, ramp
- figurativelyeen wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
“Een dier dat in zijn land van herkomst een normaal deel van de natuur is, kan best ergens anders een plaag veroorzaken, zoals in Australië met de konijnen gebeurd is.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
- form-ofgebiedende wijs van plagen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
Vormenplagen(plural) · plaagje(diminutive, singular) · plaagjes(diminutive, plural)