stɑnt, stɛnt
- hoe of waar iets staat
“Dat hangt van de stand van de zon af.”
“Kun je de schakelaar s.v.p. in de stand 'midden' zetten?”
“Aan de stand van de zon te zien gaat haar huwelijksplechtigheid bijna beginnen.”
- sociale positie in de maatschappij
“Zulk gedrag past niet bij zijn stand.”
“' 4 Cynth trouwde met Samuel voor de burgerlijke stand in Wandsworth, in een kleine ruimte die rook naar bureaucratie en goedkoop parfum, met donkergroene muren en ijzeren stoelen.”
- puntentelling bij een wedstrijd of een aantal cijfers op een paneel (meter)
“De stand is nu drie-nul voor de Belgische dames.”
- berisping (alleen als verkleinwoord) zie: standje
- grootte van de populatie van een soort in een bepaald gebied
“De stand van de zeehonden en de zeeschildpadden zullen door die olieramp een geduchte knauw krijgen.”
- in stand houden: zorgen dat iets niet verloren gaat
“Ze dacht aan De boomgaard op haar zolderkamer, haar volmaakte, veelkleurige paradijs, en schaamde zich voor haar eigen onwetendheid, voor de vasthoudendheid waarmee ze haar buitenlandse sprookje in st”
- plaats op een tentoonstelling waar producten vertoond worden
“Hij was vooral nieuwsgierig naar de stand van zijn concurrent.”
Vormenstanden(singular) · standje(diminutive) · standjes(diminutive, singular) · stands(singular)