ˈstɔrᵊm
Herkomsterfwoord, via Middelnederlands storm van Oudnederlands stormo "aanval, oproer", In de betekenis van "hevige wind" aangetroffen vanaf 1240
- erg harde wind (minstens windkracht 9)
“Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kra”
“Deze storm zou ik moeten overleven boven op Mount Whitney, 4.421 meter hoog.”
- figurativelyophef, drukte
“Maar misschien is het zo gek nog niet, ten tonele verschijnen wanneer de storm wat is gaan liggen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stormen
- form-ofgebiedende wijs van stormen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stormen
Vormenstormen(plural) · stormpje(diminutive, singular) · stormpjes(diminutive, plural)