trɛin
HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vervoermiddel over spoorrail’ voor het eerst aangetroffen in 1839
- rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
“Er reizen dagelijks veel mensen met de trein.”
“Toen de trein uit Southampton Waterloo Station in was gereden, had Cynth de schoorstenen van huizen aangezien voor die van fabrieken, de belofte van werk in overvloed.”
“Vanwege de werkzaamheden reden gisteren ook al minder treinen van en naar het hoofdstation. Vannacht om 00:50 uur vertrok de laatste trein.”
- alles wat dient tot het vervoer van zaken die nodig zijn voor een gevechtshandeling
Vormentreinen(plural) · treintje(diminutive, singular) · treintjes(diminutive, plural)