/troːn/
HerkomstLeenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘staatsiezetel van vorst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
- figurativelyhet koningschap
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tronen
- form-ofgebiedende wijs van tronen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tronen
Vormentronen(plural) · troontje(diminutive, singular) · troontjes(diminutive, plural)