/vlur/
OriginIn de betekenis van ‘bodem’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- bodem van een ruimte in een gebouw
“Hij sleurde de abt bij zijn haren uit het smalle bed, smeet hem op de vloer en sloeg hem met een roe waar hij hem raken kon, onder het zingen van het lied 'O Pastor Alterne'.”
“Wat wil je nog meer? We sliepen allemaal op de vloer bij Trail Angel Shrek, waar we nog lang bleven napraten.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vloeren
- form-ofgebiedende wijs van vloeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vloeren
Formsvloeren(plural) · vloertje(diminutive, singular) · vloertjes(diminutive, plural)