ˈvoɣəl, /ˈvoʊ̯χɔɫ/, /ˈvoːɣəl/
Herkomsterfwoord Ontwikkeld uit Oudnederlands fogal, uogala , in de betekenis van ‘gewerveld dier met veren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
- gewerveld dier behorend tot de klasse Aves met twee vleugels, twee poten, een snavel en een met veren bedekt lichaam dat zich voortplant door het leggen van eieren
“Er zaten twee vogels op het dak van de schuur.”
“Het gaat Jetten om de gevolgen voor het onderwaterleven tijdens de bouw. Vissen en zeezoogdieren kunnen bijvoorbeeld last hebben van het heien. Maar ook als de molens in bedrijf zijn, kunnen er gevolg”
- figuratively, informaliemand (vaak van het mannelijk geslacht) die ongewoon overkomt, bijzonder of merkwaardig persoon
“Hee vogel, wat doe jij daar?”
“Ik nam deze nieuwe vogel eens goed op, zijn manier van doen kwam me heel bekend voor maar ik kon niet direct bedenken op wie hij leek.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vogelen
- form-ofgebiedende wijs van vogelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vogelen
Vormenvogels(plural) · vogeltje(diminutive, singular) · vogeltjes(diminutive, plural)