blum
Herkomsterfwoord, in de betekenis van ‘uitgebot deel van plant’ voor het eerst aangetroffen in 1100
- een deel van plant met zaden
“Jongens, pas op dat jullie de bloempjes niet vertrappen!”
“Als de hommel de bloem nadert, kantelen de haartjes ruwweg in de richting van de bloem, en dat activeert zenuwcellen.”
“Op de overloop boven aan de trap stond een grote vaas met plastic bloemen.”
- fijngemalen gezeefd poeder, meestal van granen
“Voor dit recept kun je een normaal pastadeeg gebruiken, wat je maakt van 300 gram bloem (geschikt voor pasta) en drie eieren.”
- beste deel uit een groot geheel
“Dit gedicht staat in alle bloemlezingen.”
“De studenten zijn de bloem van de natie.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloemen
- form-ofgebiedende wijs van bloemen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloemen
Vormenbloemen(singular) · bloempje(diminutive, first-person) · bloemetje(diminutive, first-person) · bloempjes(diminutive, singular) · bloemetjes(diminutive, singular)